De Socialistische Planeconomie in vraag en antwoord

Deze brochure, geschreven door Johan Kwisthout, gaat in een eenvoudig leesbare vraag-en-antwoord-vorm in op allerlei aspecten van de socialistische geplande economie. Aan de orde komen onder andere begrippen als winst, meerwaarde, concurrentie, investeringen, verborgen werkloosheid en planning. 

1. Om maar met de deur in huis te vallen: Wat is volgens jou een socialistische planeconomie?

Dat is een economisch stelsel waarbij:
  1. de centrale sectoren in de economie, de belangrijkste industriele bedrijven, banken e.d. gemeenschappelijk eigendom zijn, waarbij de zeggenschap over de productiemiddelen (machines, grondstoffen, arbeidskracht, kennis, informatie) democratisch geregeld is;
  2. de inzet van die middelen planmatig geschiedt, en niet volgens de ‘onzichtbare hand van de vrije markt’;
  3. planning op hoofdlijnen op nationaal, c.q. internationaal niveau gebeurt, en de practische uitwerking en uitvoering op het niveau van bedrijfstakken en in de bedrijven zelf;
  4. de meerwaarde van de productie niet langer in de zakken van de aandeelhouders verdwijnt, maar waar democratisch over beslist kan worden.
2. Je hebt het over een ‘socialistische planeconomie’. Bestaat een niet-socialistische planeconomie ook?

Ja. Een economie kan gepland zijn, waarbij de inzet van middelen planmatig geschiedt, zonder dat de arbeiders er iets over te vertellen hebben. Op het moment dat dit in cruciale sectoren het geval is (en niet bijvoorbeeld alleen bij de energievoorziening of het openbaar vervoer) spreken we van een planeconomie. Landen als Noord-Korea en Cuba hebben een planeconomie. China heeft op dit een mengvorm waarbij een aantal sectoren gepland zijn, maar de vrije markt steeds meer oprukt.

3. Was er in de Sovjet-Unie een socialistische planeconomie?

Gedeeltelijk, van de Russische Revolutie tot ongeveer halverwege jaren ’20. Daarna bleef de economie wel gepland, maar werd de democratische invloed van de arbeiders op de productie steeds kleiner, en de macht van de bureaucratie steeds groter. In de Oostbloklanden, in Noord-Korea, Vietnam en andere landen van het voormalige Warschaupact heeft helaas nooit een democratisch-socialistische fase bestaan. We komen hier later op terug.

4. Wat zijn volgens jou de voordelen van een socialistische planeconomie?

De belangrijkste zijn:
  1. opheffen van verspillende concurrentiestrijd (verschillende bedrijven die onafhankelijk van elkaar hetzelfde wiel uitvinden);
  2. efficiëntere bezetting van productiemiddelen (door marktonzekerheden, maar ook faillissementen en dergelijke wordt een belangrijk deel van de capaciteit niet aangewend);
  3. geen werkloosheid (noodzakelijk in de kapitalistische economie om de lonen te kunnen drukken!) en geen nutteloze inzet van mensen en middelen (speculanten op de beurs, reclamemensen die product A dan wel B moeten verkopen, mensen die mij ‘s avonds bellen voor een beleggingsfonds);
  4. creatieve mogelijkheden van werknemers komen beter tot hun recht (wie werkt er nu harder dan noodzakelijk, als je weet dat je niets over je arbeid te zeggen hebt, en de winst toch in andere zakken verdwijnt);
  5. opheffen van de voortdurende crisis van het kapitalisme waardoor nu veel productiecapaciteitverspild wordt;
  6. meer mogelijkheden voor vrouwen om zich te kunnen ontplooien;
  7. een eerlijker verdeling van de gezamenlijk geproduceerde welvaart op wereldschaal!
5. Dwingt concurrentie de ondernemers dan niet om hun product beter en goedkoper te produceren? Als er geen concurrentie zou zijn, waarom zou je dan proberen om iets te verbeteren?

Nee. Ik zou zelfs verder willen gaan en de stelling verdedigen dat concurrentie technologische ontwikkeling in de weg kan staan. Concurrentie dwingt bedrijven om een groter marktaandeel te veroveren. Dat kan door de concurrentie een stapje voor te zijn, door slimme marketing of door de concurrent gewoon op te kopen. Als het daarvoor nodig is om meer geld in onderzoek te steken en om de producten beter of goedkoper te maken, dan gebeurt dat, maar dat is geen noodzaak.

Ontwikkelaars willen graag een zo goed mogelijk product maken, gebruik maken van de laatste wetenschappelijke ontwikkelingen etcetera. Dat heeft niets met concurrentie te maken, maar alles met ‘beroepstrots’, de wens om je persoonlijk te ontwikkelen, je creativiteit te kunnen uiten, trots te zijn op hetgeen je gemaakt hebt. Vaak is het echter nu zo, dat inferieure producten, die niet ‘af’ zijn op de markt worden gegooid omdat de concurrent dat ook doet en je anders je marktaandeel verliest. Of er wordt besloten om de producten helemaal niet verder te ontwikkelen, maar de energie te steken in het overtuigen van potentiele klanten dat jouw producten beter zijn, of andere productlijnen over te nemen zodat je alsnog dat marktaandeel behoudt. Concurrentie gaat niet over de vraag wie het beste product heeft, maar wie het grootste marktaandeel kan halen.

Geen concurrentie betekent ook: geen geheimhouding van productieprocessen, geen patenten, maar uitwisseling van kennis. Kijk alleen maar als voorbeeld naar het besturingssysteem Linux, naar de potentie van die vrije uitwisseling van kennis en hetgeen ik hiervoor heb gesteld. Vanwege die vrije uitwisseling van kennis is dit systeem, ontwikkeld door vrijwilligers, technisch superieur aan het commerciële systeem ‘Windows’ van Microsoft.

6. Hoe kun je productiemiddelen efficiënter inzetten?

Door het plannen van de productie voorkom je in belangrijke mate dat machines stilstaan en mensen in hun neus peuteren omdat er niets te doen is. De onzekerheid die samenhangt met het markt-systeem van vraag en aanbod zorgt ervoor dat er vaak restcapaciteit overblijft die niet benut wordt. Je kunt heel doelgericht prioriteit geven aan een bepaalde productie en systematisch bepaalde sectoren (her-)opbouwen. Dit is een belangrijke reden waarom de economie van de Sovjet-Unie in korte tijd weer op peil was, ondanks de burgeroorlog en hongersnoden in de jaren ’20 en de vernietigende Tweede Wereldoorlog. Of waarom de Sovjet-Unie een prestigieuze strijd met de Verenigde Staten op het gebied van de ruimtevaart en de wapenontwikkeling bij kon houden, terwijl Rusland voor de revolutie een achterlijk land was waar de overgrote meerderheid van de bevolking niet kon lezen en schrijven. Het laatste voorbeeld illustreert natuurlijk ook meteen het belang van een democratische planning van de productie, in plaats van een planning van bovenaf. Dan was er waarschijnlijk méér energie gestoken in onderwijs, zorg, consumptiegoederen en een prettige en comfortabele leefomgeving, in plaats van investeringen in wapentuig!

7. En hoe zit het dan met die werkloosheid? In het Oostblok was er toch sprake van de verborgen werkloosheid?

In het Oostblok – waar de productie tot in details centraal en bureaucratisch gepland werd,  had je inderdaad situaties waarin mensen geen zinnige bijdrage aan onze gezamenlijke welvaart en welzijn leverden, maar bezig werden gehouden. In een democratisch gepland systeem zou je de productiemiddelen en de behoefte aan goederen en diensten op elkaar af kunnen stemmen: in hoofdlijnen centraal, op detailniveau op de werkvloer. Stel dat we teveel arbeidsuren beschikbaar hebben in vergelijking met andere productiefactoren (energie, grondstoffen) of dat simpelweg de behoefte al met minder arbeidsuren bevredigd kan worden, dan ligt het voor de hand de werkweek te verkorten.

Maar laten we eens kijken naar de verborgen werkloosheid in een kapitalistische markteconomie, waar niet behoeftenvoorziening maar winstmaximalisatie centraal staat. Hierdoor doen heel veel mensen werk, dat geen enkele bijdrage levert aan onze maatschappij. Denk bijvoorbeeld aan beurshandelaren, een belangrijk deel van de grafische industrie dat reclamefolders maakt die ons moeten overtuigen dat produkt A beter is dan produkt B, de mensen die deze reclamefolders moeten verspreiden, enzovoorts. Denk bijvoorbeeld ook aan twee concurrerende R&D-afdelingen die onafhankelijk van elkaar aan dezelfde soort producten werken, en je zult al snel tot de conclusie komen dat de verborgen werkloosheid in een markteconomie enorm is. Dan hebben we het nog niet over andere manco’s, bijvoorbeeld het gegeven dat miljoenen werkloos thuis zitten terwijl we in tal van sectoren (zoals de zorg) handen tekort komen.

8. Waarom zou je harder werken dan noodzakelijk (bijvoorbeeld wat het ‘plan’ voorschrijft) als je er geen winst mee kunt maken?

Tja, deze vraag is voor managers net zo actueel als voor ons. Waarom zou je harder werken dan noodzakelijk als de meerwaarde van jouw arbeid toch (voor het grootste deel) in de zakken van de aandeelhouders verdwijnt? Natuurlijk kun je, door te dreigen met faillissementen en ontslagen en dergelijke, je werknemers tijdelijk aansporen om harder te werken, maar de meesten van ons die niet van hun hobby hun werk hebben kunnen maken, zullen hun best doen om met zo min mogelijk inspanning aan de bak te blijven.
Dit komt omdat werknemers vervreemd zijn van hun arbeid. Je bent maar een klein radertje in het geheel, hebt nauwelijks zeggenschap over het resultaat of de inrichting van je werkzaamheden, en hebt geen zeggenschap over de meerwaarde die je produceert. Daar komt bij dat veel creativiteit de kop wordt ingedrukt zodra deze geen directe winstmaximalisatie tot gevolg heeft.
Toch kunnen mensen veel voldoening uit hun werk halen. Verzorgenden halen hun motivatie uit de dankbare blik van de verzorgde, ontwikkelaars willen een technisch meesterwerk afleveren, bouwvakkers staan trots te kijken op de huizen die ze met eigen handen gemaakt hebben en professoren genieten van de resultaten van hun denkarbeid. Stel je eens voor hoeveel creativiteit en arbeidsvreugde we vrij kunnen maken door:
  • samen te beslissen hoe we het werk inrichten, in plaats van dit van boven opgelegd te krijgen;
  • te stimuleren dat mensen zich ontwikkelen, in plaats van ze in een hokje te stoppen;
  • de meerwaarde van onze produktie ten goede te laten komen aan de samenleving als geheel, in plaats van aan een groep anonieme aandeelhouders;
  • werknemers het vertrouwen te geven dat hun inzet de samenleving ten goede komt, in plaats van dankbaar te moeten zijn dat ze werk hebben.
9. Een ondernemer loopt risico en heeft veel verantwoordelijkheden. Moet hij daar niet voor beloond worden? De werknemer krijgt toch wel iedere maand zijn loon uitbetaald.

Dat risico valt wel mee. Ook al gaat het met een bedrijf of gedurende een bepaalde periode slecht, over het geheel genomen maken bedrijven winst en als een aandeelhouder zijn risico spreidt zal hij gemiddeld genomen altijd winst maken. En voor de topmanager valt dat risico wel mee: als hij of zij er een puinhoop van maakt komt de rekening te liggen bij de werknemers voor wie ontslag dreigt. Bovendien ligt er gegarandeerd een mooie gouden handdruk klaar. Nee, dan de werknemer op de werkvloer! Die ligt er als eerste uit als het bedrijf in de problemen komt.
Bovendien, als die verantwoordelijkheid zo zwaar is, waarom deelt die manager hem dan niet?

De kleine zelfstandige, al dan niet met wat personeel, heeft het heel wat moeilijker. Binnen het kapitalisme moet hij of zij concurreren met bijvoorbeeld grote supermarktketens, die veel efficienter in kunnen kopen. Voor zijn of haar zelfstandigheid en het recht om eigen beslissingen te nemen betaalt hij een zware tol van lange werkweken en laag inkomen. De kleine ondernemer die, dankzij een geweldig idee en hard werken, rijk kan worden is een uitzondering. Een enkeling kan zich opwerken, maar de meesten vallen of terug in de arbeidersklasse, of houden zich met hangen en wurgen staande, waarbij hun positie nauwelijks anders is dan die van de werkers.

10. Moet dan iedereen maar hetzelfde krijgen?

In een socialistische samenleving werkt iedereen naar vermogen, en ontvangt iedereen naar behoefte. Een gezin met vier kinderen heeft meer nodig dan een vrijgezel. Mensen hebben niet van nature de prikkel nodig van meer geld om harder te werken, die prikkel is ons opgedrongen in het kapitalisme. Waardering, de mogelijkheid om je te ontwikkelen, zeggenschap over je arbeid en het verrichten van arbeid wat bij je mogelijkheden hoort zijn veel betere prikkels om je best te doen.

In een overgangsfase is het natuurlijk mogelijk om een beperkte inkomensdifferentiatie in te voeren. Mensen werken soms op vervelende tijden, onder gevaarlijke omstandigheden of doen werk wat geestelijk of lichamelijk zwaar is. Daar kan een financiële compensatie tegenover staan. Aan de andere kant moeten we er naar streven om gevaarlijke omstandigheden tegen te gaan, en zwaar werk te compenseren met lichter werk of kortere werkweken.

11. Iets anders: denk je dat arbeiders zelf de zaak kunnen besturen?

Kijk eens naar de situatie in de westerse wereld vandaag de dag. Een belangrijk deel van de werknemers is gewend met computers te werken; planning in de bedrijven zelf gebeurt door werkvoorbereiders, inkopers en planners, een groot gedeelte van de bevolking heeft toegang tot internet en weet wat er in de wereld leeft. De arbeiders zijn nu prima in staat om zelf de zaak te organiseren!

Tijdens stakingsacties zie je, dat arbeiders uitstekend in staat zijn om zelf het bedrijf draaiende te houden. Denk bijvoorbeeld aan bedrijfsbezettingen of de personeelscollectieven van de NS. Bij langdurige algemene stakingen, zoals bijvoorbeeld in Frankrijk in mei 1968, moeten de arbeiders zelf de zaak ter hand nemen om ervoor te zorgen dat het vuil opgehaald wordt, de ziekenhuizen kunnen draaien, er voedsel geproduceerd wordt enzovoort.

12. Je spreekt over een voortdurende crisis. Tot voor kort ging het toch heel goed met de economie?

In enkele landen was er een opleving van de economie, met name in Nederland en Ierland. Over het geheel genomen, op wereldschaal, verkeert het kapitalisme in een crisis sinds 1973. Enkel door reserves aan te spreken, valuta’s te herwaarderen , en door zo af en toe de wapenindustrie flink te stimuleren door het voeren van een oorlog kan een totale ineenstorting voorkomen worden. De Japanse economie ligt, om een voorbeeld te noemen, al tien jaar plat, waarbij zelfs het idee van een negatieve rente op spaartegoeden aan de orde is, om de bestedingen te stimuleren.

Het kapitalisme raakt steeds weer in crisis vanwege een structurele overproductie. Stuk voor stuk moeten de bedrijven zo veel mogelijk marktaandeel halen, zoveel mogelijk produceren om hun winst te maximaliseren. De lonen moeten om dezelfde reden laag blijven. Echter, samen zorgt dit ervoor dat er een enorme overproductie ontstaat: de arbeiders kunnen het surplus aan producten niet afnemen, met failissementen en ontslagen als gevolg. Dit is natuurlijk een enorme verspilling van productiemiddelen!

13. Maar kun je alles wat je wil in Nederland regelen, we zijn toch geen eiland?

Dat klopt. Een socialistisch experiment in één land, of in een klein deel van de wereld, is gedoemd om te mislukken. Economisch zou een handelsland als Nederland in grote problemen kopen als we geisoleerd zouden zijn, omdat alle multinationals onmiddelijk een investeringsstop zouden organiseren. Nederland zou moeten kiezen tussen een leven in armoede, of een terugval naar het kapitalisme.

Een dergelijke omwenteling is alleen mogelijk als deze wereldwijd plaatsvindt, in ieder geval in eerste instantie in de meest geïndustrialiseerde landen. Daarmee kan de kapitalistische klasse de doodsteek worden toegebracht, zodat sabotage onmogelijk wordt gemaakt.

14. OK, maar dan snap ik nog steeds niet waarom een geplande economie goed is voor vrouwenemancipatie?

De geplande economie kan er voor zorgen, dat er goede voorzieningen zijn om huishoudelijke taken efficiënt te organiseren. Goedkope eetgelegenheden, gratis kinderopvang, wasserettes enzovoort kunnen een belangrijk deel van dit werk – wat traditioneel, ook in de 21e eeuw voor een belangrijk deel op de schouders van de vrouwen terecht komt – gemeenschappelijk wordt georganiseerd. Daarmee krijgen vrouwen de kans zich te ontplooien.

De geplande economie maakt ook een einde aan commerciële reclame, en daarmee aan de noodzaak om schaars geklede dames af te beelden om je product aan de man te brengen. Deze – door sociaal-economische factoren bepaalde – seksuele uitbuiting komt daarmee te vervallen.

15. We hadden het eerder al even over de Sovjet-Unie. Waarom is in de Sovjet-Unie de socialistische planeconomie ontaard in een bureaucratische?

Laten we, om deze vraag te beantwoorden, eens bekijken waarom het systeem in de Sovjet-Unie ontaardde. Rusland was een achterlijk land in 1917, met een onderontwikkelde kapitalistische economie, en met massaal analfabetisme, laag of niet opgeleide boeren en arbeiders. Daardoor was men gedwongen een belangrijk deel van de oude tsaristische ambtenaren te handhaven op hun posten, simpelweg omdat men de know-how miste. Men was simpelweg niet in staat om van onderop de productie te plannen. Bovendien was de Sovjet-unie geïsoleerd en er was weinig steun te verwachten van buiten het land.
De bureaucratische bovenlaag kon onstaan, omdat er schaarste en tekorten waren. Als brood schaars wordt, staan mensen in de rij als de winkel opengaat. Als die rij maar lang genoeg is, heb je een politieagent nodig om de zaak in de hand te houden, maar die moet natuurlijk ook eten en zal zijn positie gebruiken om er eerst voor te zorgen dat hij zelf te eten heeft. Zo zie je geleidelijk aan een bureaucratische laag ontstaan.

16. Hoe zou je zo’n bureaucratie kunnen voorkomen?

Enerzijds door isolatie te voorkomen, anderzijds door democratie aan de basis te garanderen. Lenin formuleerde in zijn boek ‘Staat en revolutie’ drie eisen, die een eeuw later nog net zo belangrijk zijn als toen:
  1. Alle volksvertegenwoordigers zijn verantwoording schuldig aan hen die ze hebben gekozen, en zijn ten alle tijde afzetbaar;
  2. Volksvertegenwoordigers ontvangen niet meer dan het loon van een geschoold arbeider;
  3. Functies moeten rouleren in de maatschappij.
17. Als laatste vraag: is het geen achterhoedegevecht? Socialisten zijn toch al heel lang aan het proberen om de wereld te veranderen? Bewijst de ineenstorting van de Sovjet-Unie niet dat het kapitalisme het enige levensvatbare systeem is?

Dat laatste werd inderdaad beweerd door sommige westerse filosofen en economen. Inderdaad was de ineenstorting van het ‘reeël bestaande socialisme’ in het Oostblok een belangrijke nederlaag voor de arbeidersklasse. Maar we moeten goed beseffen dat het niet het socialisme was wat ten val kwam, maar de Stalinistische karikatuur daarvan. Het levenspeil in Rusland ligt nu, vijftien jaar na de omwenteling, overigens voor een belangrijk deel van de bevolking een stuk lager dan tijdens de communistische dictatuur. En ook met de democratie is het niet veel beter gesteld dan toen: president Poetin is zijn KGB-verleden niet vergeten. Maar de realisatie van wat er zich precies achter het IJzeren Gordijn afspeelde, en de ‘winning mood’ van het kapitalisme na de omwentelingen eind 20e eeuw, hebben een flinke ideologische klap toegebracht waar alle zich socialistisch noemende groeperingen mee te maken hebben gehad.

Aan de andere kant zien we, door de winst van de SP, dat er wel degelijk een noodzaak bestaat aan een alternatief voor het politieke en economische systeem waar we in leven, ‘Brutopia’ zoals de SP het in het beginselprogramma ‘Heel de Mens’ noemt. En laten we ook niet vergeten dat er een nieuwe jonge generatie opstaat die niet die ‘ideologische knock-out’ heeft meegekregen in de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw. Nog steeds geldt, dat er een wereld te winnen is voor iedereen die zich niet neerlegt bij de huidige situatie.

Revolutie en socialisme: Een andere wereld is mogelijk - Welke en hoe die te bereiken?

De revoluties die een einde maakten aan de dictaturen van Ben Ali en Mubarak zorgden ook voor een ideologische aardbeving. Het zorgde ervoor dat revoluties en explosies van massale acties terug op het politieke toneel verschenen. De grote mobilisaties leidden tot een buitengewoon enthousiasme in alle hoeken van de wereld. Dat was niet enkel het geval voor revolutionaire militanten, maar ook breder voor de miljoenen onderdrukte en uitgebuite mensen die dagelijks geconfronteerd worden met de verschrikkelijke gevolgen van het kapitalistische systeem.

Dossier door Nicolas Croes uit de zomereditie van De Linkse Socialist, Linkse Socialistische Partij - België. 
De golf van actief protest trok van het Midden-Oosten en Noord-Afrika doorheen de hele wereld met onder meer de beweging van verontwaardigden, Occupy Wall Street, algemene stakingen in landen als Nigeria of India, de ‘esdoornlente’ in Québec,... Overal werd de onmetelijke kracht van collectieve actie aangetoond. De fundamentele vraag die hierop volgt is deze: hoe kunnen we van massaprotest gaan naar een beweging die in staat is om een einde te maken aan het falende systeem?

Die vraag werd een tijdlang verstikt door het ideologische offensief van de heersende klasse. De ineenstorting van de stalinistische dictatuur in Rusland en Oost-Europa werd aangegrepen om te verklaren dat er geen alternatief op het kapitalisme mogelijk was. Er werd gesproken over het “einde van de geschiedenis”, zo omschreef de Amerikaanse filosoof Francis Fukuyama het. De realiteit was echter sterker dan de propaganda. Vandaag moeten zelfs de meest verbeten aanhangers van het kapitalisme erkennen dat ze geen enkel echt antwoord hebben om de stabiliteit van hun systeem te herstellen. Tegenover het falen van hun systeem, komen ze niet verder dan oproepen tot meer bezuinigingen (al dan niet aangevuld met een snuifje groeiretoriek). Het doet wat denken aan de Middeleeuwse dokters die als remedie voor zowat alle kwalen patiënten lieten bloeden (onder meer door bloedzuigers te gebruiken), soms met de dood als resultaat. Hoeveel bezuinigingsplannen zullen ze ons vandaag nog opleggen als onderdeel van de ‘remedie’ van de dictatuur van de markten? Hoeveel zullen ze ons nog laten bloeden? En dat terwijl er geen enkel voorbeeld is van een bezuinigingsbeleid dat zorgt voor een ernstig economisch herstel.
Voor de mensheid is het een goede zaak dat de geneeskunde sinds de Middeleeuwen voldoende gevorderd is om de destructieve praktijk van het bloeden achterwege te laten. Ook op andere vlakken moeten we stappen vooruit zetten. Het beheer van de aanwezige middelen moet op een rationele wijze gebeuren. Dat staat lijnrecht tegenover de “onzichtbare hand” van de markt waarvan het falen in de economische crisis worden aangetoond.

Controle over de economie

Een fundamentele oplossing bestaat uit het democratisch in publieke handen nemen van de productiemiddelen. Het is onmogelijk om tot een echte democratie in Noord-Afrika of het Midden-Oosten te komen als de economische hefbomen in handen blijven van diegenen die ook voordeel haalden uit de dictaturen van Ben Ali en Mubarak. Het is onmogelijk om een verder afglijden van de levensvoorwaarden van de meerderheid van de bevolking te vermijden als de verliezen van de banken, speculanten en grote aandeelhouders op de gemeenschap worden afgewenteld. Het is ook onmogelijk om de systematische vernietiging van het milieu te stoppen zolang de winsthonger het alfa en het omega vormt hij het exploiteren en gebruiken van grondstoffen. Dat wordt nogmaals duidelijk gemaakt op de VN-top Rio+20 (20 jaar na de Top van de Aarde in Rio).
De sleutelsectoren van de economie moeten onder democratische controle van de gemeenschap komen. Dan wordt het mogelijk om de economische activiteiten democratisch te plannen. Het zou een echte strijd tegen de armoede mogelijk maken en de mensheid naar een hoger niveau tillen waarbij de aanwezige technologische kennis niet langer verstikt wordt door de krachten van de markten en de concurrentie. Wij willen een ander systeem, een socialistisch systeem. Vandaag wordt de creatieve energie van miljoenen mensen verspild door werkloosheid en miserie terwijl tegelijk de sociale noden gigantisch zijn. Er is nood aan ziekenhuizen, scholen, sociale huisvesting, openbaar vervoer en andere basisbehoeften die vandaag worden afgebouwd door het bezuinigingsbeleid. Vandaag zitten de kapitalisten op een berg geld, maar ze weigeren om het te investeren omdat het onvoldoende winst oplevert. Er is een sociale kracht die in staat is om met het huidige systeem te breken: de arbeidersklasse.

De arbeidersklasse is niet verdwenen

Sommigen stellen dat een term als ‘arbeidersklasse’ achterhaald is. Ze beweren dat de bevolking van de ontwikkelde kapitalistische landen in essentie uit consumenten bestaat en dat de arbeidersklasse niet meer bestaat. Dat klopt niet. De arbeidersklasse bestaat uit wie zijn arbeidskracht moet verkopen aan wie de eigendom van de productiemiddelen in handen heeft. Het gaat om een sociale kracht die honderden miljoenen mensen omvat. In de 21ste eeuw is de arbeidersklasse omvangrijker dan ooit voorheen en dat niet enkel in de zogenaamd ontwikkelde landen. De algemene staking in Nigeria begin dit jaar en de twee algemene stakingen in India dit jaar maakten dat duidelijk.
Het potentieel van de arbeidersklasse blijkt steeds opnieuw. De tussenkomst van de NAVO en het imperialisme om Khadaffi in Libië aan de kant te schuiven, was tevens een poging om greep te krijgen op de golf van revoluties in de regio. Het Westerse imperialisme had vooral angst voor het besmettingsgevaar van de bewegingen in Tunesië en Egypte waar de arbeidersklasse een onafhankelijke rol speelde en de economie volledig blokkeerde. Het is geen toeval dat zowel Ben Ali als Mubarak de macht uit handen gaven tijdens een algemene staking. Het is ook geen toeval dat de gevestigde media dat element zo weinig benadrukken. In Nederland en elders hebben werkenden in strijd kunnen merken hoe de dominante media geen kans onbenut laten om het te hebben over “achterhaalde vakbonden”, stakers als “gijzelnemers” of acties die steevast “onverantwoord” zijn en ingaan tegen “het economische belang van het land”. Die vloedgolf aan propaganda toont goed aan waar de heersende klasse bang van is.

Het gevaar van electoralisme

De afgelopen weken zagen we zowel in Griekenland als in mindere mate in Frankrijk dat het verzet tegen het bezuinigingsbeleid ook bij de verkiezingen tot uiting komt. Dat is een belangrijke aanmoediging voor het verzet en leidt tot vragen over de verhouding tussen concrete strijd, onder meer op syndicaal vlak, en verkiezingen. Bij het begin van de 20ste eeuw stelde de Duitse socialistische militant Karl Kautsky dat de strategie om het kapitalisme omver te werpen bestond uit een “passieve accumulatie” van krachten op basis van een oppositiekracht die zich steeds versterkt tot ze uiteindelijk bij de verkiezingen een meerderheid haalt en dan het socialisme invoert. Verkiezingen zijn een middel om een alternatieve politiek naar voor te brengen, maar revolutionaire socialisten (zoals Lenin) hebben steeds kritiek gegeven op een puur electorale benadering. Het falen van die benadering is door de sociaaldemocratie aangetoond. Maar er zijn nog steeds elementen van die benadering aanwezig.
In Egypte en Tunesië waren er tal van militanten, ook onder de zogenaamd revolutionaire linkerzijde, die de electorale weg zagen als de beste om de strijd van de revolutionaire beweging verder te zetten. De tijd die nodig was om deze verkiezingen te organiseren, liet meteen ook ruimte aan de contrarevolutie om zich te herorganiseren en het zorgde ervoor dat een deel van de bevolking de aanhoudende sociale, politieke en economische wanorde beu raakte. De reactionairen hebben goed begrepen dat ze daarop konden inspelen. Op het ogenblik van de val van de dictators waren er nochtans elementen van dubbelmacht aanwezig. In Egypte was er als gevolg van de beweging een diepe verdeeldheid binnen de Moslimbroederschap en dit op basis van sociale tegenstellingen tussen een prokapitalistische leiding en een basis die beïnvloed werd door de sociale eisen van de revolutionaire beweging.
Er werden comités in de wijken opgezet om de strijd te organiseren. Er ontstonden ook stakerscomités en comités in de bedrijven die de controle overnamen toen de met de dictatuur verbonden patroons wegvluchtten. Op basis van deze bijeenkomsten van arbeiders en jongeren en met de methode van een algemene staking was het mogelijk om de kwestie van een andere samenleving op de agenda te plaatsen. Een samenleving waarbij de politieke activiteit en de productie democratisch werden beheerd door de comités in de wijken en op de werkvloer en waarbij er een coördinatie was met de verkiezing van permanent afzetbare vertegenwoordigers die geen enkel privilege genoten.
Dat zou het begin gevormd hebben van de opbouw van een socialistisch systeem. Socialisme verschilt grondig van de bloedige karikatuur die ervan werd gemaakt onder het stalinisme. Marxisten hebben vertrouwen in de revolutionaire capaciteiten van de massa’s. De revolutionaire marxist Trotski, een van de leiders van de Russische revolutie van 1917, schreef over de Russische revolutie: “hoe meer vastberaden en doelbewust de arbeidersklasse optreedt, des te meer kansen heeft het om de tussengroepen mee te sleuren, des te meer geïsoleerd staat de heersende klasse en des te sterker is de demoralisatie onder deze. Omgekeerd is het verval onder de heersenden koren op de molen van de revolutionaire klasse.” Jammer genoeg stond de vastberadenheid van de arbeidersbeweging de afgelopen jaren onder druk, mee door de erfenis van de dictatuur in het Oostblok en de versterking van het neoliberale eenheidsdenken na de val van de Berlijnse Muur.

Strijdpartijen

Zelfs indien de druk in de richting van grondwetgevende vergaderingen naar het model van burgerlijke parlementen te groot was, zou een consequente agitatie rond het thema van de overname van de economische en politieke macht een echo gevonden hebben en steun waarop een sterk politiek instrument kon opgebouwd worden. Het blijft immers noodzakelijk voor strijdbewegingen dat ze over een politiek verlengstuk beschikken. We hebben het dan niet over een bijeenkomst van politici, maar wel degelijk over een sociaal strijdorgaan met als doel om een groter aantal mensen te organiseren. Trotski stelde nog steeds in zijn ‘Geschiedenis van de Russische Revolutie’: “Zonder een leidende organisatie zou de energie der massa’s vervliegen als stoom, die niet in een zuigercilinder opgesloten is. De beweging wordt echter noch door de cilinder, noch door de zuiger, maar door de stoom teweeg gebracht.”
Voor wie een fundamentele verandering van samenleving wil, komt het er vandaag op aan om dergelijke revolutionaire partijen op te bouwen met een programma dat de dagelijkse verwachtingen van brede lagen van de bevolking verbindt met de strijd voor een socialistische samenleving op basis van collectief bezit van de productiemiddelen. Deze benadering zal niet onmiddellijk op een massale schaal worden overgenomen. Revolutionaire organisaties zoals de onze zijn nodig om dit standpunt te verdedigen. De noodzaak om zich te organiseren dringt zich op; er zullen nieuwe linkse politieke krachten ontstaan en deze zullen een ideologisch laboratorium voor politieke activisten zijn. Het zullen plaatsen zijn waar revolutionairen aan het debat deelnemen en de concrete ervaringen van politieke strijd mee zullen analyseren.
In Griekenland toonde Syriza dat dergelijke nieuwe brede formaties onder druk van gebeurtenissen ook snel kunnen evolueren. Het programma van de alliantie van radicaal-links in Griekenland vertoont nog veel zwaktes, maar er was een opvallende evolutie naar links de afgelopen maanden (zie ook pagina 10). Als het democratisch debat binnen Syriza wordt aangemoedigd en een groter deel van de militanten en kiezers effectief deelneemt aan de discussies over de politieke standpunten, dan kan deze partij verder naar links evolueren. Het is daartoe belangrijk dat Syriza zich richt op strijdbewegingen en zich niet beperkt tot verkiezingen als enige manier om tot een andere samenleving te komen.

Begin van een nieuw tijdperk

Verandering komt niet op een lineaire wijze tot stand. Vandaag zien we zowel de revolutie als de contrarevolutie in actie. De materiële basis zorgt ervoor dat de strijd voor een andere samenleving aanwezig blijft. In Egypte kreeg de kandidaat die het meeste met de revolutie van 25 januari 2011 werd geïdentificeerd 22% van de stemmen bij de eerste ronde van de presidentsverkiezingen. Dat was amper 2% tot 3% minder dan de kandidaat van de Moslimbroeders en die van het leger, maar dan zonder het sterke netwerk waarover die kandidaten beschikten. De Moslimbroeders verloren bijna 20% in vergelijking met de parlementsverkiezingen van januari 2012. Samen met de ontwikkeling van nieuwe vakbondsstructuren en stakingen, toont dat hoe de revolutionaire beweging voor de omverwerping van het economische systeem nog steeds bezig is. Het leger wil haar macht behouden, dat is ook de reden waarom Mubarak werd opgeofferd. Het leger hoopte zo de woede onder de bevolking te stoppen.
Lenin stelde dat een revolutionaire situatie zich kan voordoen als “diegenen onderaan de samenleving niet langer willen geregeerd worden zoals voorheen en als diegenen bovenaan de samenleving niet langer zoals voorheen kunnen regeren.” Hij voegde er aan toe: “De revolutie ontstaat niet in elke revolutionaire situatie, maar enkel in het geval dat de genoemde objectieve veranderingen samengaan met een subjectieve verandering, namelijk de capaciteit van de revolutionaire klasse om die acties te ondernemen die nodig zijn om het oude regime volledig te breken en dit regime neer te halen, wat zelfs in een periode van crisis niet gebeurt als het regime niet ten val wordt gebracht.”
Vandaag blijft de erfenis van het neoliberale triomfantalisme na de val van de Berlijnse Muur nog sterk aanwezig in de achteruitgang van het collectief bewustzijn en de zwakte op het vlak van strijdbare politieke en syndicale organisaties van de arbeiders. Dat komt overigens mee door de rol van vakbondsleidingen die niet geloven in systeemverandering. Maar de zaken kunnen snel veranderen. De ernst van de economische crisis doet veel maskers afvallen en er zijn tal van mogelijkheden om een revolutionair massa-instrument op te bouwen.

www.socialisme.be

SP in de regering?

Op 12 september 2012 kiest Nederland een nieuw parlement. Veel Nederlanders zijn het zich niet bewust dat de Socialistische Partij van Emile Roemer, de traditionele Partij van de Arbeid vervangen heeft als partij van de arbeiders.

De Socialistische Partij wordt door sommingen nog gezien als een club van dogmatische ‘’communisten’’ die erop uit zijn om een ‘’communistische’’ dictatuur te stichten in Nederland. Vooral rechtse kranten en websites beweren dat. De SP is echter alles behalve communistisch ingesteld. Voor de SP wordt het socialisme steeds meer de sociaal democratie en dat is niet positief.

In de peilingen neemt de SP het op tegen de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie. Deze neoliberale partij is de voorhoede van de rechtse denkers in Nederland. De VVD probeerde in 2010 een coalitie te vormen met het Christen Democratisch Appel en de Partij voor de Vrijheid. De financiële markten en de Europese Unie eiste strenge bezuinigingen van bijna 18 miljard euro. Europa wou dat de arbeiders de kosten gingen betalen voor de fouten van de banken en de grote bedrijven.

VVD, CDA en PVV waren er bijna uit. Vier jaar van strenge neoliberale ellende stond Nederland te wachten. Toen trok PVV leider; Geert Wilders zich terug uit de onderhandelingen. Hij beweerde dat hij de ouderen niet wou raken. Een hele hypocriete zet, want de PVV steunde veel voorstellen van de VVD en CDA. Zonder de 22 zetels van de PVV had de coalitie geen meerderheid. Dus werden nieuwe verkiezingen uitgeschreven voor 12 september 2012.

Politiek links in Nederland kun je verdelen in drie partijen. De neoliberaal geworden; Partij van de Arbeid, het gematigd sociaal liberale; GroenLinks en de klassiek sociaal democratische; SP.  Veel mensen kunnen niet begrijpen dat wij ( United Socialist Productions ) de SP neerzetten als een sociaal democratische partij en niet als socialistische partij! Hoe komt dat?

We moeten daarvoor kijken naar het karakter van de SP! Spreekt de SP over socialisme en arbeidersmacht? Wil de partij een socialistische radendemocratie? Of slechts een menselijker en socialer; Koninkrijk der Nederlanden? Helaas is het laatste antwoord juist. De SP is niet tegen het kapitalisme in geheel. Ook de Nederlandse monarchie is geen probleem voor de sociaal democratische leiders van deze ''socialistische'' partij.

Waarom dan die kritiek? Waarom mag de SP geen compromissen maken om in de regering te komen? Op die vragen moeten we kijken naar het lot van de voormalige arbeiderspartijen. Met arbeiderspartijen bedoelen we partijen die de steun van de arbeidersklasse hadden. Deze partijen waren de PvdA in Nederland, de SPD in Duitsland en de Labour Party in het Verenigd Koninkrijk. Deze arbeiderspartijen hadden echter een grote handicap. Hun partijleiding was burgerlijk kapitalistisch ingesteld. De basis bestond echter uit arbeiders en die vertrouwde op partijen zoals de PvdA om op te komen voor de arbeidersklasse. Echter de partijleiding van de arbeiderspartijen degenereerde en begonnen steeds rechtser te worden. Na de val van het stalinisme ( communisme genoemd ) capituleerde de arbeiderspartijen voor het kapitalisme. De sociaal democratie pleegde haar laatste verraad aan haar basis en werd een neoliberale ideologie.

Door dit verraad verloren mensen het vertrouwen in de politiek. Men ging niet meer principieel stemmen. Arbeiders stemde niet meer loyaal op de PvdA. Zo kwam het dat de werkende klasse vaak stemde op partijen waar ze het net mee eens waren. Dat konden ook rechtse partijen zijn. Bijvoorbeeld; in 2002 stemde enorm veel mensen op de partij van de vermoorde; Pim Fortuyn. Deze rechts populistische leider keerde zich fel tegen de politieke elite. Hij won zo de steun van veel mensen. Zijn dood gaf de Lijst Pim Fortuyn meteen 26 zetels in het parlement. Maar de Fortuyn revolutie duurde niet lang. Na veel ruzies in de LPF viel de partij uit elkaar. Bij de verkiezingen van 2003 verloor de LPF 18 van haar 26 zetels. De laatste 8 zetels verloren ze bij de verkiezingen vier jaar later. De Lijst Pim Fortuyn werd in 2008 opgeheven! 

De Socialistische Partij heeft kunnen profiteren van de degeneratie der PvdA. Doordat de Partij van de Arbeid onder Wim Kok brak met de sociaal democratie, kon SP leider Jan Marijnissen zich neerzetten als de partij van de werkende klasse. In het jaar 2006 won de partij 25 zetels. Veel Nederlanders wouden de SP in de regering. Ook Jan Marijnissen wou dat. Echter de PvdA en het CDA wouden dat absoluut niet!

Maar stel eens voor dat het wel gelukt was! Een coalitie van PvdA, SP en CDA. Hoe zou Nederland er dan uitzien? Socialer? Linkser? Nee! De SP zou enorm veel compromissen moeten maken met de neoliberale PvdA en CDA. Deze twee partijen waren al vele jaren de trouwe bestuurderspartijen van Nederland. Zij hadden zich bewezen als trouwe partijen van het kapitaal. Want Nederland is een kapitalistisch koninkrijk. Een land waar de vrije markt dictatuur heerst. De beurzen eisen een stabiel kabinet dat de vrije markt steunt en niet in de weg staat. De SP die zich beroept op het socialisme kan niet in een kapitalistisch land regeren, dat is voor socialisten niet te doen zonder hun principes te verraden.   

Compromispolitiek noemen de burgerlijke democraten het. Iedereen moet water bij de wijn doen. Dat moeten socialisten echter niet. Hun sterkte ligt in hun antikapitalisme en hun strijd voor een socialistische radendemocratie. Dat willen de partijen van het kapitaal niet. Het kapitalisme heeft rechtse partijen en (centrum) linkse partijen in dienst. Moet de SP ook in dienst treden van dat kapitalisme? Nee, zeggen wij. Helaas denken de SP leiders daar anders over. Emile Roemer wil eenheid bij op links, maar wat voor eenheid bedoeld hij? Wil hij samen met PvdA en GroenLinks, Nederland socialistisch maken? Terwijl PvdA en GroenLinks zich al gepresenteerd hebben als vijanden van de arbeidersklasse!

Het probleem bij de SP is hun parlementarisme. Ze denken dat ze alles kunnen veranderen via de parlementaire democratie. Dat is een grote zwakte. Want de parlementaire democratie is zwak en zeer beperkt. Vroeger dacht de SP anders. Toen stond de partij nog voor een socialistische revolutie. Maar die tijd is voorbij. In revoluties gelooft de SP niet meer. Over socialisme wordt bij de SP niet gesproken en over een radendemocratie al helemaal niet.

Wie nog steeds heilig gelooft dat de SP compromissen moet maken met de kapitalistische partijen, moet nodig gaan kijken naar de Scandinavische familie van de SP, de Noorse SV en de Deense SF. De Socialistische Linkse Partij in Noorwegen deed wat de SP wil doen. Ze maakte compromissen met de heersende ( neoliberale ) sociaal democraten. In 2003 won de SV bij de verkiezingen; 13% van de stemmen. Ze kwamen in de regering en waren verantwoordelijk voor de kapitalistische politiek die gevoerd werd. Bij de verkiezingen in 2011 won de SV nog maar 6,5%. Dat lot staat de SP ook te wachten. De kiezers zullen de partij in de steek laten als ze niets zien veranderen. Zelfs al wordt de SP de grootste partij, dan nog kan ze niets veranderen. Want alle politieke partijen in Nederland steunen het kapitalisme, zelfs de PvdA en GroenLinks.

De Deense SF is ook een waarschuwing. De Socialistische Volkspartij in Denemarken heulde al sinds 1966 met de kapitalistische sociaal democraten. Hierdoor won de partij nooit meer dan 13% van de totale stemmen. Soms zakte de partij naar 6% doordat ze weer onpopulaire handelingen hadden doorgevoerd. Bij de laatste verkiezingen in 2011 won de SF 9% van de stemmen. Een verlies van 3% in vergelijk met 2007.

Socialisten moeten geen compromissen te maken met de partijen van het kapitalisme. Dat de SP dat wel wil doen is zorgelijk. Straks wint de partij 30 zetels. Misschien wordt de Socialistische Partij wel de grootste partij van Nederland! Veel stemmers willen veranderingen. Maar met de sociaal democratie en compromissen met de burgerlijke partijen zijn geen veranderingen te krijgen. GroenLinks noemt de SP zelfs ''conservatief'' omdat Emile Roemer niet bereid is om de liberale dogma’s te aanvaarden. Een stem op de SP blijft de enigste optie voor de werkende klasse op dit moment. Maar er moet meer gebeuren willen wij af van de neoliberale dictatuur. Daarvoor kunnen we niet vertrouwen op Emile Roemer en de leiding van de ‘’Sociaaldemocratische’’ Partij!

Opkomst van de stalinistische bureaucratie

De Sovjet Unie wordt door de media van het kapitalisme; communistisch genoemd. De media van de stalinisten noemde het land; het grote socialistische arbeidersparadijs. Echter het land was niet socialistisch en zeker niet communistisch. De USSR werd niet bestuurd door de arbeiders, maar door een strakke partijbureaucratie. Die bureaucratie ontstond niet zomaar, er ging heel wat aan vooraf!

In 1924 nam Joseph Stalin de macht in de Sovjet Unie over. Het land was net twee jaar geleden opgericht door Vladimir Lenin en had een heftige burgeroorlog achter de rug. Onder de leiding van de Russische Communistische Partij won de arbeidersklasse de burgeroorlog tegen de aanhangers van de bourgeoisie. Helaas had de burgeroorlog een groot gevaar met zich meegebracht, een strakke partijbureaucratie!

De Russische Communistische Partij bestuurde in 1922 de gehele Sovjet Unie. Alle andere oppositie groepen waren verboden en anticommunistische kranten bestonden niet meer. Alle macht lag in de handen van de communistische partij en dat was al voor sommigen bolsjewieken fout. Alexandra Kollontai was één van de eerste bolsjewieken die het gevaar van een almachtige partijbureaucratie inzag. In 1920 stichtte ze een fractie binnen de communistische partij. Deze fractie kreeg de naam Arbeiders Oppositie!

Samen met andere leden van de partij verzette zich Kollontai tegen de macht van de oprukkende bureaucratie. Lenin en andere bolsjewieken gaven geen gehoor aan de waarschuwingen van de Arbeiders Oppositie. Ze waren veel te druk bezig met de burgeroorlog. Voor partijleiders zoals Lenin en Trotsky was het redden van de sovjet staat belangrijker dan interne partij zaken regelen!

Op het tiende congres van de Russische Communistische Partij in 1921, werden alle fracties verboden. Zonder het direct te weten, had Lenin de partijbureaucratie een grote dienst gedaan. De Arbeiders Oppositie was nu monddood gemaakt, toch was de partijbureaucratie nog niet in staat om kritische bolsjewieken te royeren. Alexandra Kollontai en haar aanhang bleef doorvechten tegen die partijleiders die steeds meer macht aan zich zelf begonnen te geven. Toen Stalin in 1922 generaal secretaris werd en Lenin zich uit de politiek terug trok, werd het steeds lastiger om de bureaucratie tegen te spreken!

In 1923 stichtte Leon Trotsky de Linkse Oppositie, een groep van bolsjewieken die net als Alexandra Kollontai het gevaar van de bureaucratie inzagen. Trotsky ging de strijd aan met het trio van de partijbureaucratie ( Stalin, Zinoviev en Kamenev ). Dit trio werd het gezicht van een nieuwe groep bolsjewieken die geen wereldwijde sovjet republiek wouden, maar socialisme in eigen land. Ze steunde ook de Nieuwe Economische Politiek, die Lenin in 1921 had ingevoerd!

De zieke Lenin merkte dat de partijbureaucratie een gevaar geworden was. Hij zag hoe veel macht Stalin had en hoe de partij zich had ontwikkeld tot een nieuwe elite. Lenin waarschuwde in zijn testament voor de macht van Stalin. De partij moest zo snel mogelijk een nieuwe generaal secretaris kiezen, vond hij. In maart 1923 kreeg Lenin zijn derde hartaanval en was volledig uitgeschakeld als mens. Hij kon niet meer praten of lopen!

Met de uitschakeling van Lenin stond Stalin niets meer in de weg. Na Lenin’s dood op 21 januari 1924 nam hij de macht over de Unie van Socialistische Sovjet Republieken over. Daarmee was de partijbureaucratie verenigd onder één man; Joseph Stalin. De stalinisten begonnen meteen met het uitschakelen van kritische bolsjewieken. Trotsky verloor in 1925 zijn post als volkscommissaris. Alexandra Kollontai werd min of meer verbannen naar het buitenland als sovjet ambassadeur, daarmee was ze uitgeschakeld. Ze leefde nog tot 1952 een leven als sovjet ambassadeur in Noorwegen, Mexico en Zweden!

Het lichaam van Lenin werd een reliek voor de nieuwe staatsreligie van de Sovjet Unie. Overal werd Lenin’s gezicht getoond, hij werd een icoon en iedereen moest respect voor hem hebben. Duizenden Lenin beelden werden gemaakt, meestal werd hij afgebeeld naast Joseph Stalin die zich presenteerde als trouwe opvolger van Lenin. Na 1929 werd de stalinistische persoonlijkheidscultus zeer sterk. Helemaal zou de persoonlijkheidscultus rond sovjet leiders pas in 1991 ophouden, met de val van de Sovjet Unie!

Joseph Stalin maakte in 1925 ook vijanden binnen zijn eigen bureaucratie. Zelfs zijn beste vrienden; Zinoviev en Kamenev vonden dat hij gevaarlijk werd. Ze besloten om samen met Leon Trotsky tegen Stalin te vechten. De generaal secretaris zag dit aan als verraad en keerde het hele partij apparaat tegen Zinoviev en Kamenev. Ondanks het dappere verzet van Trotsky lukte het hem niet om de partij te redden uit de klauwen van de stalinisten. Op het 15de partijcongres in 1927 werden Leon Trotsky, Giorgy Zinoview en Lev Kamevev door het partijcongres uit de communistische partij gezet.

Zinoview en Kamenev vonden het heel erg dat ze door hun partij uitgestoten waren. Ze smeekte Stalin om weer toegelaten te worden. De grote leider ging akkoord, maar eerst moesten Zinoview en Kamenev leugens verspreiden over Leon Trotsky en de oppositie. Ze deden het en werden in 1928 weer toegelaten tot de partij. Echter een post in het centraal comité konden ze vergeten. Die posten waren nu gevuld met trouwe aanhangers van Stalin, zoals Molotov.

Leon Trotsky weigerde om te capituleren voor Stalin. Hij werd in 1929 uit de Sovjet Unie verbannen. Met de overwinning van de stalinisten op de anti-stalinistische bolsjewieken in 1927 was de stalinistische contrarevolutie in de Sovjet Unie geslaagd. Tot 1991 zouden ze de USSR besturen en in naam van Marx en Lenin de arbeidersklasse onderdrukken. Maar helemaal veilig voelde zich de stalinisten na 1927 niet. Stalin vreesde zijn oude tegenstanders. Ook al had hij de totale macht, toch vreesde hij de oude bolsjewieken en hun invloed op de Sovjet Unie!

De economie van de Sovjet Unie was van 1921 tot 1929, een gedeeltelijke markt economie. De staat had veel invloed, maar de bedrijven werkte volgens markt regels. Deze Nieuwe Economische Politiek ( NEP ) zorgde ervoor dat de Sovjet Unie, haar economisch niveau van 1913 bereikte. De NEP was vooral ingevoerd om de boeren rustig te houden. Die hadden de bolsjewieken fel bestreden tijdens de burgeroorlog. Om die boeren rustig te houden werd in 1921 de NEP ingevoerd.

Maar de NEP was geen goede marxistische propaganda. De Sovjet Unie had een gedeeltelijke kapitalistische economie en dat vond Stalin maar niets. Hij wou het agrarische land ombouwen tot een machtige industrie natie. Daarom begon hij in 1929 met het invoeren van het vijf jaren plan. De gehele economie werd gecollectiviseerd. In principe is dat niet verkeerd, maar de manier waarop was barbaars, ondemocratisch en gewelddadig!

De sovjet landbouw heeft lange tijd geleden onder deze waanzinnige politiek. Aan de vooravond van de collectivisatie, bedroeg de productie 109 miljoen poed (een tsaristische gewichtsmaat). Op het hoogtepunt van het collectivisatieprogramma was dat terug gebracht tot 48 miljoen. De boeren lieten massa slachtingen plaatsvinden onder het vee, omdat de boeren dit verkozen boven het afstaan van hun kudden aan het collectief. Het aantal schapen nam af met 66%, het aantal paarden met 55%!

Een logisch gevolg van deze massa collectivisatie was honger. Een hongersnood trok door het land en trof vooral Oekraïne. Daar stierven in 1932 ongeveer 8 miljoen sovjet boeren aan honger. 3 miljoen daarvan waren kinderen, ze stierven door ondervoeding. Sommigen beweren dat Stalin deze hongersnood opzettelijk heeft veroorzaakt. Hij zou de oppositie tegen zijn bewind in Oekraïne willen uitmoorden. Tot de dag van vandaag is er een felle discussie over dit onderwerp. Rusland beweert dat die 8 miljoen stierven door de collectivisatie, terwijl Oekraïne beweert dat Stalin opzettelijk deze hongersnood heeft veroorzaakt. 

Na de collectivisering van de economie begon het grote terreur. Dit terreur moest voor eens en voor altijd alle tegenstanders van Stalin afmaken. Oude critici van de partijbureaucratie werden nu geroyeerd en opgepakt. Zinoview en Kamenev behoorde tot de slachtoffers van de stalinistische zuiveringen. Ook de leider van de Rechtse Oppositie in de Sovjet Unie; Nicolai Bukharin werd opgepakt en vermoord. Stalin had met Bukharin samengewerkt tegen de Linkse Oppositie van Trotsky. Nu was de NEP voorstander niet meer nodig. Als aanhanger van de NEP werd Bukharin neergezet als ‘’kapitalistische’’ revisionist!

Niet alleen arbeiders en boeren werden het slachtoffer van de zuiveringen. Ook het militair werd geraakt. Duizenden officieren werden vermoord, zelfs leden van het opperste militair werden geëxecuteerd. De waanzin van Stalin leidde er toe dat hij in 1941 slecht voorbereid was op de Duitse invasie. Het Rode leger was door de zuiveringen niet in staat om de Duitsers in 1941 tegen te houden. Pas na de overwinning bij Stalingrad kon Stalin’s leger de nazistische vijand het hoofd bieden!

De zuiveringen van 1936-1938 hadden ook impact op de partijbureaucratie, de angst voor Stalin groeide. Niemand durfde hem tegen te spreken, iedereen gedroeg zich als een trouw aanhanger van Stalin’s socialisme in eigen land. De grote leider was eigenlijk helemaal niet zo groot. Hij was slechts 1.62 meter lang. Maar op propaganda plaatjes werd Stalin altijd groot en machtig afgebeeld. Tijdens de parades in Moskou, stond hij op een verhoging zodat het leek alsof hij groter was!

Het hoogte punt van de grote zuiveringen was misschien de Moskou processen. Deze rechtszaken werden door Stalin gebruikt om zijn tegenstanders te laten berechten voor misdaden die hij meestal zelf verzonnen had. Zinoview en Kamenev werden berecht tijdens die processen en veroordeeld tot de dood. Bijna alle sovjet leiders van 1934 werden afgezet, vermoord of verbannen. Alleen een zeer trouwe stalinistische kern bleef bestaan. Deze elite zouden de toekomstige leiders van de Sovjet Unie worden.

Na de tweede wereld oorlog was de Unie van Socialistische Sovjet Republieken opper machtig. Stalin had oost Europa en oost Duitsland in bezit. De stalinistische bureaucratie liet haar marionetten aan de macht komen. In oost Duitsland dwong Stalin de sociaal democratische SPD te fuseren met de stalinistische KPD. Uit die fusie ontstond de SED en die partij zou tot 1989 de DDR besturen!

In China kwam Mao Zedong aan de macht. Deze Chinese stalinist was sinds 1935 de leider van de Chinese Communistische Partij. Ondanks hun overeenkomsten waren Stalin en Mao niet elkaars beste vrienden. Mao geloofde in een boeren revolutie en zijn maoïsme was gebaseerd op de boeren en niet op de arbeiders. Hij streefde een ‘’socialistische’’ boerenstaat na en was geen slaafje van Moskou. De relatie tussen Stalin en Mao bleef dus zakelijk!

De jaren 1945-1953 waren zwaar voor oost Europa. De stalinisten voerde een klassieke stalinistische koers en verheerlijkte Stalin. Met dwang en terreur werden de oude oost Europese landen omgebouwd tot stalinistische landen. De planeconomie bracht best wat welvaart, maar doordat de arbeiders geen inspraak hadden bleven de economieën van het oost blok ver onder het niveau van het kapitalistische westen. De media van de bourgeoisie in het westen, gaf het marxisme de schuld van de zwakke oosterse economie. Volgens hun was het socialisme onder gesteld aan het kapitalisme. Sommigen gingen dat echt geloven!

De stalinistische bureaucratie in Moskou was het terreur langzaam zat. Het Stalin tijdperk had zijn tol geëist. Vooral de gehate NKVD bracht veel onheil, ook over de leden van de partijbureaucratie. NKVD leider; Beria was de Heinrich Himmler van Stalin. Hij liet elke critici tegen het stalinistische bewind oppakken en afvoeren naar concentratiekampen. De angst tegen Stalin liep zelf zo hoog op dat niemand durfde te stoppen met applaudisseren als hij een toespraak hield!

Gelukkig hoefde de partijbureaucratie niet lang te wachten. In maart van het jaar 1953 stierf de man die ze in 1924 aan de macht geholpen hadden. Joseph Stalin’s dood kwam als een redding. De stalinisten kozen Nikita Khrushchev als nieuwe generaal secretaris.De dood van Stalin zorgde voor diepe rouw in de Sovjet Unie. Ondanks het leed dat Stalin veroorzaakt had kwamen duizenden sovjet burgers naar zijn lijk kijken. Velen huilden, ze huilde uit angst voor de toekomst. Sinds 1924 was Stalin hun grote leider geweest. Nu was hij dood en stonden ze voor een onzekere toekomst!

Nikita Khrushchev volgde drie jaar de klassieke stalinistische koers. Hij liet Stalin naast Lenin leggen en zorgde ervoor dat iedereen de grote leider trouw bleef. De hele wereld verwachtte dat de sovjet bureaucratie trouw zou blijven aan het klassieke stalinisme. Het 20ste partij congres leek dan ook typisch stalinistisch congres te worden. Maar alles werd anders toen Nikita Khrushchev het lef had om de misdaden van Stalin aan de wereld bloot te stelen. Sinds 1927 had niemand kritiek gegeven op Stalin. De shock was enorm, maar het merendeel van de bureaucratie was opgelucht!

Joseph Stalin werd verwijderd uit het openbare leven. Zijn standbeelden werden neergehaald en zijn naam verwijderd van monumenten. In 1961 liet Nikita Khrushchev het lichaam van Stalin uit het mausoleum van Lenin halen. De grote dictator werd begraven in de muur van het Kremlin naast andere sovjet politici. Khrushchev maakte een einde aan de persoonlijkheidscultus rond Stalin, maar het icoon Lenin bleef bestaan. Juist omdat Stalin nu weg was werd alle aandacht gegeven aan Lenin. Nog meer beelden werden van hem gemaakt en overal neergezet!

Ook kregen de sovjet burgers meer vrijheden. Kritiek op de partijbureaucratie bleef verboden, maar de communistische partij bemoeide zich minder met het persoonlijke leven van de sovjet burgers. Voor de partij elite kwam dit heel goed uit. Nu konden ze min of meer genieten van hun status als leiders van een ‘’arbeiders’’ staat, zonder dat een almachtige leider ze in de gaten hield. De gehate NKVD kreeg een nieuwe naam; KGB. Beria werd door de reformistische stalinisten afgezet en na een kort proces ( helemaal in stalinistische stijl ) vermoord!

Uiteindelijk vond de bureaucratie dat de hervormingen te ver gingen. De neostalinist Leonid Brezhnev werd in 1964 gekozen tot generaal secretaris van de communistische partij. Onder zijn bewind werden enkele hervormingen terug gedraaid. Brezhnev was een liefhebber van luxe dingen. Hij hield van de jacht, liet zich rondrijden in westerse auto’s en droeg kilo’s aan onderscheidingen, die hij zich zelf gegeven had. Brezhnev genoot van het elitaire leven als generaal secretaris en was het symbool van de enorme zelfverrijking van de partijbureaucratie!

Op 10 november 1982, stierf Leonid Brezhnev. Hij werd opgevolgd door Adropov en Chernenko. Beidde sovjet leiders waren oude mannen die beiden geen drie jaar volhielden voordat ze stierven. In 1985 koos de communistische partij een jongere leider. Deze leider had de naam Mikhail Sergeyevich Gorbachev. Gorbachev zag dat de Sovjet Unie zeer slecht liep. Dus besloot hij om zware hervormingen door te voeren. De USSR moest het Chinese model volgen en een markt economie aannemen, dat was zijn plan. Helaas liet Gorbachev krachten los die hij niet meer kon tegenhouden. Met de ondergang van de Sovjet Unie in 1991 kwam de voorspeling van Leon Trotsky uit. De kapitalistische contrarevolutie lukte alleen, doordat de partijbureaucratie 70 jaar lang leugens en illusies had verspreidt!

Strijd, Solidariteit, Socialisme

Strijd, Solidariteit, Socialisme